Morgenster
Morgensterren vormen een apart volkje, met eigen regels en leefwijze. Wat ze doen is 's nachts de straten afgaan, op zoek naar spullen die bij het vuilnis gezet zijn. Of dat nou mooie, nuttige of waardevolle spullen zijn. Tjebbe's moeder is een morgenster, en ook gaat hij met een morgenster op pad.
Al vanaf dat ik een klein blond krullerig jongetje was leef ik temidden van andermans vuilnis. Dat klinkt erger dan het in werkelijkheid is. Op het eerste gezicht lijkt mijn ouderlijk huis namelijk helemaal niet op een vuilnisbelt in een Afrikaanse slopenwijk. Maar wie de verhalen achter de fatsoenlijk lijkende tafels, borden, stoelen, banken, spiegels, kunstwerken, deuren, tapijten en keukengerei kent, weet beter. Alles komt van de straat. Mijn moeder is de schuldige. Al zo lang als ik mij kan herinneren gaat zij er midden in de nacht op uit om haar lust naar weggegooide troep te stillen. Naast irritant ( 'Tjeb kom je helpen tillen'?' ) en vies ( 'Die vlek is geen kattenpis joh, echt niet ruik maar') is dat, vooral als ze je vriendjes er over verteld, ongelofelijk gênant.
Maar op een gegeven moment worden kleine jongetjes zo groot dat ze 's nachts zelf wel eens de donkere straten trotseren en zodoende kwam ik erachter dat mijn moeder niet de enige gek is die 's nachts door andermans rotzooi zoekt. Integendeel, de straten blijken van deze moderne schatzoekers te krioelen. Stiekem werd ik nieuwsgierig en ik vroeg aan mijn mama, wie zijn dat nou allemaal?
'Dat zijn morgensterren' vertelt ze. 'Het is een apart volkje, met eigen regels en leefwijze. De meeste trekken rond in hun eigen buurt, op de nachten die voorafgaan op vuilnisophaaldagen. Het liefst de eerste nacht na het weekend. Waar je naar zoekt zijn geen normale vuilniszakken maar spullen. En weekeindes zijn voor de meeste mensen het moment waarop ze na een grote schoonmaak de overbodige spullen buiten zetten. Voor zo'n hoop hebben de morgensterren een extra zintuig. Ze zien in een oogopslag of er wat tussenzit of niet. Zo komt het dat er bij een goede berg vaak meerdere morgensterren staan. De regel die op zo'n moment geldt is simpel: de eerste is de baas. Hij of zij heeft het voornaamste recht en anderen nemen niks mee zonder toestemming. De regels zijn er om alles in goede banen te leiden. Zeker nu in het voorjaar waarin veel mensen opruimkriebels krijgen kan het aardig druk worden op de vuilnisnachten. En als er iets duurs of bijzonders wordt gevonden kunnen de normaal zo rustige schatzoekers piratengedrag gaan vertonen.
Natuurlijk zijn er onder deze nachtbrakers verschillende types. Er zijn er bij die op mij lijken: naast een regulier leven sluipen ze 's nachts stiekem het huis uit. Maar er zijn ook professionals. Zij verdienen er hun geld mee. Sommigen van deze handelaartjes zoeken naar alles wat ze kunnen verkopen. Anderen zoeken naar specifieke spullen. Je hebt hen die alleen ijzer of lood zoeken en dit per kilo aan een inkoper verkopen. Maar er zijn ook mensen bij die het vooral op kunst, kachels, foto's, stoelen of oude LP's gemunt hebben.’
‘Maar het draait altijd om die ene vondst. Die vondst waar je collega-morgensterren het nog jaren over hebben. In mijn geval is dat die stoel waar ik je ooit voor wakker heb gebeld om te komen tillen: bij taxatie bleek hij van een of andere bekende franse meubelmaker te zijn, 4000 euro. En dat ligt gewoon op straat.'
Omdat ik uit schaamte niet met mijn moeder de straat opga om vuilnis te doorzoeken doe ik dat met Karel. Deze veertig jaar oude uitkeringstrekker jaagt op alles wat hij kan verkopen. ‘Op de markt, aan vrienden, aan winkels of aan jou' roep hij lachend terwijl hij een leren jas omhoog houd en mij vragend aankijkt. We staan in zijn huis. Een huis wat mij doet beseffen dat het altijd erger kan. De vier kamers die de kleine verdieping in Amsterdam-West telt zijn volledig in beslag genomen door zooi. De enige mogelijkheid je te verplaatsen is via de kleine paadjes die zijn vrijgelaten op de vloer. Ik ben blij als we eindelijk buiten staan.
De raampjes van Karels ouderwetse brommobiel staan open. ‘Om beter te kunnen kijken wat er allemaal staat’ verklaart hij. Karel is een man van weinig woorden. Maar mooie spullen bij het afval vinden kan hij als geen ander. Elke nieuwe straathoek is aanleiding tot verwoede graafsessies. ‘Deze jas, zie je, die verkoop ik aan een tweedehands winkeltje, die dame daar geeft me er twee tientjes voor, volgende week hangt hij daar voor het raam, dan kost ie 150 euro, vintitsj noemen ze dat dan.’ Onze gezamenlijke schaterlach overstemd het knetterende geluid van het zwaarbeladen autootje.
We vinden nog een antiek ladenkastje waar hij al weken naar op zoek was. ‘Heeft een dame bij me besteld, ja hoor, dat doe ik ook, op bestelling zoeken, sommigen spulletjes zie je elke maand wel staan.’ En als Karel aankondigt dat we na deze straat toch echt naar huis gaan overwin ik mijn diepgewortelde schaamte, en duik ik achter hem aan de grote container met ‘verhuisafval’ in. Het resultaat? Een telefoon/faxapparaat, een kinderhelm en een boek over katten. ‘Waardeloze troep!’ roept mijn moeder als ik thuiskom, maar dat is meer een grap.
(18 reacties) Reageer >>

