Vijfhonderd Vrienden
Samen met het Rode Kruis brengt Spunk een serie verhalen met
eenzaamheid als rode draad. Spunk auteurs geven hun literaire blik op
jong en alleen zijn. Voor meer, kijk op Give a Day. Oscar Kocken schrijft het vijfde verhaal, 'Vijfhonderd Vrienden'.
‘Op bezoek bij oma,’ twitterde hij, terwijl de oude vrouw uit eigen initiatief alweer een nieuwe voorraad zoutjes haalde. Als hij trek had in iets anders, dan hoefde hij het maar te zeggen, zo had ze hem vanuit de keuken laten weten. Op de eikenhouten tafel wachtte nu een schaaltje cashewnootjes geduldig op de terugkeer van zijn eetlust. Daarnaast een doosje kersenbonbons, een mandje met pure paaseitjes en ten slotte nog een half zakje kerstkransjes.
Er was ook Franse kaas, probeerde ze. Nee, toastjes dan weer niet, daar moest ze te hard op kauwen. Maar TUC-koekjes met eiersalade, die kon ze zo voor hem maken. Wilde hij dat? Nog een blikje cola dan? Nee, hele flessen kocht ze niet meer, de prik was er verdorie al uit voordat ze eindelijk nieuw bezoek had. Langzaam liet ze zich in de zwart leren bank zakken, en schonk zichzelf een flink glas port in. In haar gerimpelde gezicht verscheen een stralende lach: ‘Had ik al gezegd hoe blij ik ben om je weer eens te zien?’
Op zoek naar iemand die hij zou kunnen bellen had hij eerder die middag door zijn telefoon gebladerd, toen zijn blik plotseling als vanzelf stilhield bij Oma Tilburg. Het nummer van Oma Tilburg, hij kon zich niet heugen wanneer hij dat ooit had gebruikt. Nu deed hij echter het enige juiste: zonder zichzelf de tijd te gunnen om na te denken, te heroverwegen en er uiteindelijk toch maar weer vanaf te zien, had hij al op het groene telefoontje gedrukt. In een huis honderd kilometer verderop schrok op dat moment een oude vrouw op uit haar middagslaap, met een tintelende scheut in haar rug duwde ze zichzelf uit haar stoel, waggelde moeizaam naar het dressoir, nam de hoorn van de haak en noemde toen met zachte stem de achternaam van haar tien jaar geleden overleden man.
De kleinzoon liet een onnodige stilte vallen, vertelde met wie zij sprak en het geluid dat daarop volgde deed hem vrezen dat er zojuist een einde was gekomen aan haar leven. ‘Wat een verrassing!’ kirde ze, nog steeds op een zorgwekkend hoge toon, waarna ze meteen doorging: ‘Hoe gaat het met je?’ klonk het gehaast, alsof ze bang was dat hij anders meteen weer op zou hangen. ‘Doe je leuke dingen? Je doet leuke dingen, dat hoef ik eigenlijk helemaal niet te vragen. Je hebt het druk, is het niet? Och, ik hoor zoveel verhalen via je moeder. Ja drukdrukdruk, hè? Jaha...’
‘Ik dacht erover om weer eens lang te komen,’ zei hij plompverloren. En oma zei niets.
‘Vanmiddag, als het kan,’ voegde hij er aan toe.
Het was lang geleden, dat moest hij toegeven, schandalig lang. Toch voelde het alsof er geen seconde was verstreken sinds zijn laatste bezoek. Niets, maar dan ook niets was er veranderd in dat huis. De tafel stond waar de tafel al tientallen jaren stond, de bank was geen fractie van zijn plaats geweken, zelfs de stoel van haar man stond nog op exact dezelfde plek, ook al moest niemand het in zijn hoofd halen om daar zomaar te gaan zitten. De stoel was geen stoel meer, de stoel was een monument en op monumenten gaat men nu eenmaal niet zitten. Het was geen geheim dat ze nog elke dag aan haar man dacht en hoe opgewekt ze nu ook leek, hij wist dat ze ook straks weer plotseling zou kunnen breken. ‘Hij kon geweldig walsen,’ zou ze met natte ogen fluisteren, ‘Wist je dat?’ En daarna: ‘Ik zou zo graag weer eens willen dansen. Maar met wie?’
Dat was wat ze miste: een hand op haar heup, twee paar ogen die elkaar niet loslieten, iemand die op een moment van intimiteit spontaan zijn arm om haar heen zou slaan. Dat soort vrijpostigheden, dat was vroeger. Hij had het graag gedaan, die arm, maar uiteindelijk zou zijn arm slechts de arm blijven van een troostende kleinzoon, niet die van de gepassioneerde minnaar. Hij gunde het haar van harte, maar wist dat het niet kon. Ooit had hij gedacht dat een weduwe na enkele jaren rouw vrij zou zijn om weer opnieuw de liefde aan te gaan, maar hij vergat daarbij dat zij bij iedere nieuwe man in haar achterhoofd de grafsteen heeft waarin haar naam al staat gebeiteld. Zelfs al zou ze een nieuwe kerel aan haar zijde krijgen, ze weet dat ze ten slotte naast een ander komt te liggen.
Nu zaten ze op de bank, hij en zijn oma, met uitzicht op een tafel die volgestouwd was met snoep en zoutjes. ‘Wat was je aan het doen?’ vroeg ze, geïnteresseerd wijzend op zijn telefoon, waarmee hij zojuist nog een bericht had gestuurd. Hij zuchtte van binnen, want hij wist dat het nog een hele klus zou worden om haar uit te leggen wat Twitter was, maar hij deed zijn best. ‘En wie leest zo’n boodschap dan?’ wilde ze weten, toen ze eenmaal het basisprincipe had begrepen. ‘Iedereen die dat wil,’ antwoordde hij. Meer dan vijfhonderd vrienden had hij, vrienden aan wie hij elke seconde van zijn leven rapporteerde. Zeker wanneer hij zijn eenzame oma zag, wist hij dat hij zich gelukkig mocht prijzen met al die mensen om hem heen. Via Twitter mocht iedereen op de hoogte zijn van wat er in hem omging en dat was nogal wat: ‘Naar de schoenmaker: zolen & hakken vervangen,’ had hij van de week nog wereldkundig gemaakt. De volgende dag bracht hij iedereen ervan op de hoogte dat ook hij het verrekte warm had tijdens deze halve hittegolf, hij schreef dat hij kapot was van de dood van Michael Jackson en hij liet aan al zijn followers weten dat hij best wel weer eens zin had om te dansen. Maar met wie?
Hij wist dat het voor zijn oma onvoorstelbaar was, vijfhonderd vrienden. Zelf had ze natuurlijk alleen nog een handvol buurvrouwen. Echt afspreken deed ze niet, dat vond ze opdringerig, maar ze zag hen wel zo nu en dan bij de bushalte, bij de Aldi of op de begrafenis van een van hen. Dan maakte ze een praatje en waagde ze een gokje wie er als volgende aan de beurt was. Ach, zei ze, zo’n uitvaart was natuurlijk geen pretje, maar dan hoefde je tenminste niet na te denken wat je in hemelsnaam moest doen om de dag door te komen.
Hij daarentegen wist dondersgoed hoe hij de dag doorkwam. Als hij rond het middaguur uit bed stapte, dan hoefde hij alleen maar zijn laptop open te klappen en zo konden al die vijfhonderd vrienden meteen allemaal contact met hem opnemen. Allemaal zouden ze een gesprek kunnen beginnen via de chat op Facebook en Hyves. Allemaal zouden ze kunnen bellen via Skype. Regelmatig wisselde hij tussen de vensters om te kijken of er weer iemand zich had aangemeld en of die in was voor een praatje, iemand die hem zou vragen hoe het ging. Zelf klikte hij heus niet ogenblikkelijk op iedereen die online kwam, dat zou opdringerig zijn, dus hij wachtte netjes af tot de ander het initiatief nam. Hij wachtte, at zijn boterham. Hij wachtte, zette één kopje Senseo. Hij wachtte, haalde zijn bord uit de magnetron. En als er dan nog steeds niets gebeurde, dan ging hij gewoon lekker naar bed. Dat twitterde hij dan: ‘Lekker naar bed.’
‘Kan je daar dan op reageren?’ vroeg zijn oma.
‘Ja.’
‘Wat enig. En doen jouw vijfhonderd vrienden dat ook?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik praat ook veel in mezelf,’ zei de oude vrouw.
Hij was langer gebleven dan zijn plan was, maar toen ze eenmaal had aangeboden om voor hem te koken, kon en wilde hij niet weigeren. Samen waren ze naar de supermarkt gelopen, hij had haar een arm gegeven en zij vertelde onderweg aan het ene na het andere langslopende permanentje dat dit haar kleinzoon was. ‘Wat een knapperd,’ vond iedereen en hij kon het niet laten om telkens weer te zeggen dat men dus blijkbaar goed kon zien dat ze familie waren. ‘En hij is ook zo charmant, de meiden staan vast en zeker voor hem in de rij,’ knipoogden ze dan.
Tijdens het koken vertelde ze dat ze het principieel weigerde om kant-en-klaar-maaltijden te eten. ‘Het gaat om zelfrespect,’ zei ze, ‘Ik mag dan wel elke avond alleen eten, de magnetronversie is altijd nog een tikkeltje eenzamer.’ Hij lachte en vroeg zich af wanneer hij voor het laatst aardappels met bloemkool had gegeten.
Ze zaten tegenover elkaar aan de grote tafel. Aan de muur hing een tekening die hij twintig jaar geleden had gemaakt. ‘Had ik al gezegd hoe blij ik ben om je weer eens te zien?’ vroeg zijn oma. Hij knikte, liet een lichte lach zijn lippen krullen, greep als vanzelf naar zijn telefoon en voelde zijn vingers zoeken naar de toetsen om een bericht de wereld in sturen. Hij wilde vertellen hoe hij het warempel naar zijn zin had bij dat oude mens, dat ze lekker aten, dat ze goede gesprekken hadden, dat het een goed plan was dat hij haar had opgezocht. Maar hij zag er vanaf, hij zette zijn telefoon uit en hij richtte zich weer op het gesprek. Hij moest niet naar zijn vijfhonderd vrienden twitteren dat hij blij was om haar weer te zien, hij moest het haar zelf zeggen. En ze zou er nog op reageren ook.
Oscar Kocken begon zijn carriere bij Spunk en doet eigenijk te veel om op te noemen. We noemen toch: schrijver van theaterteksten, columnist bij ELLE en programmeur van de avond WOOF! in het Rozentheater in Amsterdam. (10 reacties) Reageer >>

